ZOMAAR, EEN FOTOSERIE VAN EEN BABY-EGELTJE:
|
DE RODE KLUIF
Een bedroefde stem klinkt aan de telefoon: "Onze Rakker is
vannacht overleden".
Rakker was het hondje van onze buren, hij was negen jaar en opeens
erg ziek
geworden.
Een paar dagen later bel ik ze of zij weer een hond zouden willen
hebben.
Ze zijn namelijk allebei al aardig 'op leeftijd'.
Van harte klinkt er: 'Já, we kunnen helemaal niet zonder hond en
Dirk moet z'n
loopje houden!'
Wij gaan aan de slag, zoeken op internet, bezoeken asiels en na
veel omzwervin-
gen - die ruim een week in beslag nemen - vinden we
Sydney, een kruising Stabij/
Wetterhoun. Een vrolijke krullenbol die
al vijf maanden in IJmuiden in het asiel zit.
Hij is ook negen
jaar, net als Rakker, maar dan kerngezond en levendig.
Op het moment dat buurvrouw Ciel wil afrekenen aan de balie,
ontdekt de asiel-
medewerkster dat Sydney niet is ingeënt, dus hij
mag nog niet mee naar huis.
Ciel gaat breeduit staan en zegt kordaat:'Ik ga hier niet weg
zonder hond".
Na veel wikken en wegen wordt er besloten dat wij in Beverwijk
langs de
dierenarts kunnen gaan voor de prik.
Hoera, de buit is binnen en in gutsende regen vertrekken we met
Sydney.
Hij springt onze hondenbench in alsof het de gewoonste zaak
van de wereld is,
draait zich om en kijkt geïnteresseerd door de
tralies.
Ciel zit naast hem en vertelt hem alvast gezellige verhaaltjes.
Het regent nog aldoor pijpenstelen als we bij de dierenarts
aankomen, gelukkig is
zij zo aardig om onder een grote paraplu bij
de auto Sydney de injectie toe te dienen.
Klaar!
Nu is Sydney helemaal van Dirk en Ciel.
Op het moment dat we de Teugelaan oprijden begint Sydney te piepen,
net als onze honden als ze bijna thuis zijn... Hoe weet hij dit nou?
De ontmoeting met Dirk, zijn nieuwe baas, verloopt stormachtig.
Alles lijkt wel één groot feest!
Het lijkt niet alleen zo, het is liefde op het eerste gezicht en...
van beide kanten.
Sydney is dol op zijn beide nieuwe baasjes en zij
op hem: "Oooh, hij is zo'n lieve schat! ".
Hij gaat meteen de eerste nacht naar boven en kiest voor een
plaatsje onder hun bed.
Zo kan hij ze goed in de gaten houden.
Intussen zijn we een paar weken verder. Ciel heeft een kluif
gekocht van rood plastic,
maar die keurt Sydney met geen blik
waardig. Die kluif is, behalve rood van kleur,
voorzien van een
piepje. Niks aan te doen, Sydney wil die kluif, zelfs op
vriendelijk
verzoek of spelenderwijs, echt niet in zijn bek nemen.
Maar dan, op een mooie dag, gaat Ciel met haar scootmobiel
rondtoeren, helemaal
naar Groet en in de duinen bij Schoorl. Na
uren komt zij thuis en Sydney is helemaal
door het dolle.
Hij had Ciel overal gezocht: in bed, in de tuin en in de schuur.
Hij danst, draait rondjes
om z'n as, springt in de lucht van
blijdschap, Ciel is weer thuis!
Opeens rent hij naar binnen en Dirk en Ciel kijken hem verbaasd
na... het blijft even stil
en dan zien zij Sydney weer naar buiten
komen met in z'n bek de rode kluif. Die gooit hij
hoog in de lucht,
pakt hem weer op en danst en draait in het rond met de kluif tussen
z'n tanden geklemd.
Het lijkt op een compleet circusnummer.
Bij Dirk en Ciel rollen de tranen over hun wangen van het lachen.
En later ook van ontroering, want Sydney smijt de kluif bij Ciel op
schoot.
Ciel zegt met een verzaligde zucht:" Ja, nu weet ik het helemaal
zeker, hij is ónze hond!"
|
ZOMERGAST
Hij pest me, hij treitert.
Ik vind het erg dat hij op de hoogte is van mijn voornemen.
Ja, hij weet het, ik zal niet slaan.
Geen wonder dat hij alles durft, alles probeert en
overal is waar je hem niet hebben wilt.
De hele zomer is hij hier al. Al een paar keer heb ik geprobeerd
om hem tot andere gedachten te brengen: “Eruit jij -
wèg – wèg !” Rotkreng, nu is het
af en uit met jou!
Maar nee hoor, het lukt me niet en het gedram en gejudas begint
opnieuw.
Zo hinderlijk wordt zijn gedrag, dat ik mijn voornemen niet
langer gestand wil doen.
Ik doe het, ik ga slaan! Wàt... slaan? Nee ik ga meppen
en niet zo zuinig.
Ik sta klaar voor het beslissende moment.
En dan opeens doet hij het weer, vlakbij op tafel en in de
late avondzon, vouwt hij zijn voorpootjes samen, strijkt ze
over elkaar, buigt zijn rode hoofdje en haalt er vliegensvlug
de pootjes over. Dit herhaalt hij keer op keer.
Vervolgens maakt hij dezelfde bewegingen met zijn achterpootjes
en wast in een vloeiende vaart zijn vleugels.
Rotvlieg.
Ik kan het niet, ik sla dit mooie wezentje niet dood.
|
BEUKENNOOTJE
Onze Treddy, de liefste aller honden, lag zo - op het oog
- zieltogend op de deurmat en badend in het bloed. We schrokken
vreselijk en we probeerden haar overeind te krijgen. Daar
was geen sprake van, het was nagenoeg afgelopen en uit, vond
zij.
Een wondje aan haar linker achterpoot was er de oorzaak van
dat het leek alsof we een koe hadden geslacht. Na het verbinden
kregen we haar zover dat ze weer kon geloven in de voortgang
van haar leven. Treddy liep alsof er niets was gebeurd.
Eigenlijk heette ze Tragic, maar het leek ons niet goed om
deze naam te handhaven, omdat tijdens de boswandeling een
beukennootje tussen haar lange tenen voor haar al voldoende
was om verder lopen te staken. Ze keek nooit wat er aan de
hand was. Met hulpeloze blik en een opgetrokken poot gaf
zij aan dat er onmiddellijk hulp nodig was.
Ook haar loopsheid was een onderdeel van haar leven waar
ze zich niet mee wilde bemoeien, gelukkig wilde Kyra, ons
Hollands herdertje, deze taak van haar overnemen.
Wij kregen haar toen ze 3 jaar oud was, omdat haar baas naar
Frankrijk emigreerde. Een jaar later kondigde de eerste epileptische
aanval zich aan bij haar. Gebeurde dit in de nacht dan werden
we gewekt door Kyra met razend geblaf. Urenlang waren we
in touw met haar, want na de aanval bleef ze lange tijd in
een hyperactief stadium.
Treddy was een deerhound met ogen waarin je de diepte van
haar ziel kon waarnemen.
Een indrukwekkend wezen waar we intens van hebben genoten.
|
| RIJKDOM...
Bij de kruising Omloop Mollaan loopt
een oude vrouw met haar fiets aan de hand. In de andere hand
heeft ze – stevig aan een riem - haar hond.
Saar en Karel, onze korthaarcollies, willen met hem spelen.
Dat mag, ze knipt de gesp van de hondenriem los en daar rennen
de drie honden het land in bij de buurvrouw op de hoek.
Verrukt kijkt de vrouw vanonder haar grijze krullenbol naar
het vrolijke stel en ze zegt: “Wat een rijkdom, zo
mooi als het hier is en dat we zulke leuke honden hebben
en zo kunnen
genieten...
Ja, ik moet binnenkort een nieuw knietje hebben, het kan eigenlijk
zo niet langer, maar... we moeten niet zeuren.
Ach, het is zo heerlijk hier!”
Zij roept haar hond weer naar zich toe, doet hem aan de riem
en stapt op haar fiets.
Intussen poept Saartje al schuifelend in de berm bij de buurvrouw,
daarbij laat ze overal wat vallen. Ik raap het op met het plastic
zakje dat ik bij me heb. Een onhandig gedoe omdat alles verspreid
ligt.
Ik hoor een stem achter me: “ Probeert U het eens hiermee.” Een
man van de gemeente buitendienst, die juist een schone zak
in een afvalemmer heeft gedaan, reikt mij een pakje hondenpoepzakjes
aan.
Vervolgens pakt hij het volle plastic zakje uit mijn hand met
de mededeling dat hij dat wel in de emmer zal gooien...
Ik bedank hem voor al die vriendelijkheid en hij zegt:’Nou
- waarom?”
Het is Oktober, we lopen over de platgereden kastanjes, het
ruikt kruidig en er schijnt een flauw zonnetje. Het is voelbaar,
dit is rijkdom!
|
SPINPOES
Het is pikkedonker, ik lig in bed en ik hoef niet hard te gaan zingen.
Helemaal niet, want Poes is stiekem de slaapkamer binnengeglipt.
We zijn allebei heel stil.
Niet echt stil, Poes spint en dat is mooier dan zingen.
Zij ligt op mijn borst en het spinnen dreunt donker door mijn ribben.
Ik kriebel haar achter het oortje en dan hoor ik nog een extra geluidje,
iets hoger aan het eind van haar ademhaling, of aan het eind van de uitademing,
dat weet ik niet precies.
Het spinnen wordt zachter, ik voel het resoneren in mijn borst niet meer.
Het spinnen houdt op.
Poes slaapt!
Het lijkt net of Poes is vertrokken.
Ik schud haar zachtjes wakker en gelijk is er het spinnen weer.
Op volle kracht.
Zelfs het hoge uithaaltje doet ze erbij!
Achter mijn ribben is er een vrolijk gevoel, het lijkt wel of ik zelf kan spinnen.
Brrrrrrrm.... Brrrrrrrm....
Ik voel het geluid niet alleen, ik hoor het overal en het zwelt aan tot een geweldig
gedreun.
Poes en ik, wij samen, wij vliegen weg!
Wij liggen op roodfluwelen kussens en we kunnen uit een rond raampje kijken.
Buiten is het nog donker.
De stad is al ver achter ons, we vliegen boven weilanden, waar schimmige figuren
staan te dromen. Het zijn koeien en paarden, ze slapen.
Eigenlijk slapen wij ook nog. Wij hoeven niks. Zelfs het spinnen is overgenomen
door het poezenvliegtuig.
Het bromt en dreunt door onze lijven heen.
Ik had altijd al gedacht, dat het heerlijk was om een Poes te zijn.
Maar een Poes op reis in een echt poezenvliegtuig, daar zou ik niet eens van
gedroomd hebben.
Ik probeer met mijn staart te zwaaien, het gaat niet, daar word ik nijdig van.
Nu word ik goed wakker en wat zie ik?
Poes houdt mijn staart vast met haar tandjes.
Om me te plagen; om mij wakker te maken!
Ik vind het niet erg, integendeel, alleen mijn staart is boos.
Die zwaait en zwiept nog even heen en weer.
Poes lacht en ik ook.
Het vliegtuigje bromt en ronkt nog steeds.
Wij zijn op reis en zelfs op een heel verre reis.
Andere katten hangen landerig in hun mooie, rode fluwelen kussenmandjes.
Ik denk dat zij al erg vaak op reis zijn geweest en daardoor niet meer zo opgewonden
zijn als wij.
De poezenstewardess miauwt door de intercom, dat het bijna tijd is om te landen.
'Jemig', zegt Poes, 'Waar zullen we terecht komen?
Heb jij ook zo'n honger?' vraagt ze.
Er worden namelijk geen maaltijden geserveerd in het poezenvliegtuig.
Dat kan niet, omdat de stewardessen op vier pootjes lopen.
Ja, ik heb reuze trek, maar ik weet eigenlijk niet in wat.
Ik denk aan een muis en zelfs aan een vogeltje.
Ik kan er niet lang over nadenken, want het vliegtuig zakt zo snel omlaag, dat
mijn oren dichtklappen en ik zie dat Poes scheel kijkt van schrik.
De landing gaat voortreffelijk en via een soort glijbaan komen we op een weiland
terecht.
De zon schijnt, het is lekker warm en wij rennen een eind, gewoon voor ons plezier.
Ik zie een grote boom en voor het eerst in mijn leven kan ik daar zo in klimmen.
Mijn nagels zorgen ervoor, dat ik me goed kan vastgrijpen in het hout.
Hoger en hoger klim ik in de boom, ik kijk om naar Poes.
Zij staat nog in het gras.
Ze vindt het verstandiger om eerst eens naar een lekker hapje uit te kijken.
'Kom op' roept ze, 'Ga nou mee!'
Maar ik durf niet. Ik durf niet meer terug. Oh, ik zit veel te hoog in de boom.
Hoe moet dat nu? Poes roept, dat ik niet met m'n kop naar beneden moet gaan.
Weer hang ik aan mijn scherpe nagels en beetje voor beetje zak ik omlaag, totdat
ik weer naast Poes sta!
Poes vindt, dat ik geen ondoordachte dingen moet doen en eerst maar eens moet
gaan wennen aan het lopen op vier poezenpootjes. Ik begrijp het en we wandelen
nu rustig verder, tot we bij een boerderij komen.
Sluipend komen we de stal binnen, waar een heleboel witte geiten ons nieuwsgierig
aankijken. Een oude schonkige geit zegt dat we niet hoeven te sluipen, we zijn
juist van harte welkom. Zij wijst ons waar de emmers staan met hun heerlijke
geitenmelk en als we ons keurig aan één emmertje tegoed doen, dan
is er niets aan de hand.
Het is verrukkelijk, we drinken onze buikjes helemaal rond en we bedanken de
lieve geiten.
'Kom vanavond gerust weer terug.' zegt de oude geit vriendelijk,´Jullie
kunnen op de hooizolder gaan slapen, als je wilt.´
We lopen niet zo veel meer. Eenmaal in hoog gras aangekomen, worden we zo slaperig,
dat we onze oogjes steeds dichtknijpen en Poes is niet de enige, die spint. Ik
hoor een prachtig diep geronk, mooier dan zingen. Het is spinnen en dat doe ik
zelf…
|
Mond-
en klauwzeer
Angst om het verlies van haar dieren - geiten, schapen en paarden - greep
haar zo bij de keel, dat ze de meest onmogelijke dingen ging bedenken om
de dieren te behoeden voor een dreigende ruiming.
Het gevaar kwam dichtbij, nu in Friesland een geval van MKZ was geconstateerd.

Boggy |
De vrouw woonde net over de grens in Groningen, op een kleine boerderij.
Ja – ga maar – gaan jullie maar, lieve schatten, jullie hebben
de vrijheid …
De wereld is ook van jullie …
Het hek van de schapenwei wordt open gegooid.
De kudde Engelse schapen dringt om voorrang en meteen weerklinkt een zoet
geroffel van al die hoefjes op het landweggetje.
Daarna zwaait het hek open bij de angorageiten en de verbaasde krullenkoppen
met brede pupillen-ogen ontvangen dezelfde boodschap; zij mogen gaan waarheen
ze maar willen.
Zij krijgen de vrijheid, want de wereld is van hen.
Aansporen is niet eens nodig, het is immers veel te leuk.
Alle geiten lopen de wei uit en hollen weg, terwijl sommigen nog even stoppen
om hier en daar wat blaadjes af te rukken van de struiken, die net jong blad
hebben.

Zinzi |
Dan gaat er nog een hek los, dat van de wei van het paard met haar
veulen.
Ook zij horen haar stem: ‘ Ga maar – ga maar, poppies – jullie
hebben de vrijheid, dat is nou wat de bedoeling is, jullie zijn vrij – ga
maar …
De merrie is nog onwennig, ze kijkt om naar haar veulen, maar dat galoppeert
haar opeens voorbij en dan draaft de merrie weg achter haar veulen aan.
De vrouw keek ze na, ze was erg moe.
Vorig jaar werd een dood veulen geboren, dat mocht niet nog eens gebeuren.
Daarom bracht zij de laatste weken dag en nacht door in de stal bij haar
drachtige merrie. ‘s Nachts trok ze wel haar pyama aan, maar ook dat
maakte het niet gemakkelijker in slaap te komen.
Na de voorspoedige bevalling van het veulentje en teruggekeerd naar haar
man en haar gewone bed, kreeg zij een wonderlijke droom:
Haar pasgeboren kleinzoon blijkt Jezus te zijn, bezield met intense liefde
voor mens en dier. Dit kind verkondigt aan de mensheid dat nu de tijd rijp
is voor vrijheid voor alle dieren. Alle hekken en afrasteringen moeten verwijderd
worden.
Een mooie droom, maar de gevolgen ervan waren ernstig.
Niet alleen de dieren werden gevangen, maar ook de vrouw.
Haar nieuwe verblijf was ver weg, en had vier kale, vreemde muren.
|
Zomeravond
Laat in de zomeravond loop ik nog even met de honden op de Mollaan.
Het is al donker en ik hoor gesnuif dat niet afkomstig is van één
van mijn metgezellen. Het blijkt van een fors uitgevallen retriever te
zijn.
De ontmoeting met Treddy en Kyra valt in goede aarde.
Soms pakt dat wel eens anders uit, dan heb ik mijn handen vol aan de twee
blafbeesten, die mij haast van de sokken trekken.
De retriever hoort bij een lange man, die goedkeurend mompelt: ‘Braaf!
Brave hondjes! Braaf!’
We passeren elkaar en ik laat Treddy - onze oude deerhound - los lopen
anders wil ze niet plassen. Daar heb ik meteen spijt van want ze gaat haar
behoefte doen en wel midden op de ingang van de camping.
Ik breek een tak uit de struiken en zwiep de drollen de greppel in.
Net op tijd, want daar komt de man met de blonde reus alweer terug.
Blij roept hij uit:’ Zo ontmoet je nog eens mensen door de honden!’
Onder de slagschaduw van de lantaren blijft hij staan, ik kan zijn gezicht
niet zien. Het moment is aangebroken, dat in het warme duister van de zomeravond
verhalen verteld dienen te worden. Dat hoort zo op het laantje van Mol.
De man met het schaduwgezicht zegt, dat zijn vorige hond overleden is.
Midden in de vakantie.
De dierenarts kon hem niet meer redden en had gevraagd of de dode hond
achter zou blijven. Nou, absoluut niet, dat kan een gek nog wel begrijpen.
Moet je je voorstellen, als wij die hond meehadden in de vakantie, sliep
ik in de auto met de hond en mijn vrouw in een hotel. Ja, daar mochten
geen honden naar binnen. Maar goed, de hond werd gecremeerd. De ontvangst
in het dierencrematorium was zo allervriendelijkst, toen we nog afscheid
kwamen nemen van de hond. Hij lag heel mooi verzorgd in een mand… en
nu hebben we zijn as in zo’n prachtig urntje.
Zijn handen rezen omhoog onder het licht van de lantaren en ik keek mee
naar het urntje, hoe klein het eigenlijk was voor zo’n grote hond.
En ik begreep hoe mooi het op de schoorsteen stond in Roelofarendsveen,
naast de foto.
En nu hadden de kinderen hem een nieuwe hond gegeven, want dan leef je
langer dachten zij.
‘ Waarom moet dat dan?’ had hij gevraagd.
‘ Nou, voor je kleinkinderen!’
‘ Ach en ze zeggen, het is ook goed voor de stress…dus ach ja..’
Brave hondjes, braaf! Ja, dat zijn ze zeker.
De braveriken wachten maar tot die ene baas klaar is met zijn verhaal.
Kyra met spitsoren, Treddy lijdzaam en de retriever doet, wat bij hem hoort –
Kwispel – kwispel – kwispel…
|
|
Bij
de bibliotheek in Bergen
Wit wachtend
hondje
Aan
paaltje gebonden
Pakt
zachtjes mijn
Hand
tussen zijn
Hagelwitte
tandjes
Ik had
hem eerst
Gevraagd
of ik dag
Mocht
zeggen
Het
mocht
Wit hondje
gaf
Plezier
mee voor
Minstens
drie dagen
|
Scheldpartij
Kyra, onze
Hollandse herder, heeft een bloedhekel aan reigers. Het
levert haar veel stress op wanneer we haar niet loslaten
als zij een reiger in het land ziet staan. Ze wil het
liefst dwars door sloot of vaart spurten om de reiger
op te jagen om vervolgens nog een tijdlang blijk te geven
van haar ongenoegen.
Sinds kort
is er een reiger die heel kwaad is op Kyra. Deze reiger
had uit een sloot een paling gevist. Triomfantelijk steeg
hij op met de dikke spartelende paling in zijn snavel
geklemd.
Ik kwam net
aanlopen met Kyra. Haar razend geblaf verstoorde de ochtendrust
op het laantje. De reiger liet zich niet onbetuigd, hij
krijste terug en dit nu was niet zo verstandig van hem,
want hij verloor hierbij de paling...
De zielsgelukkige
paling viel terug in de sloot, maar de scheldpartij tussen
de reiger en Kyra kende z’n weerga niet.
|
| Waterijsje
Het
is nog vroeg in de ochtend, wanneer ik onze honden uitlaat.
Niet ver hiervandaan op de Mollaan kom ik een man tegen,
die mij attent maakt op een egeltje dat een eindje verder
in de berm zou vertoeven.
Ja, ik zie
de kleine egel, die zich niet oprolt terwijl wij passeren.
Een paar kleine schitteroogjes kijken me aan en ik waarschuw
het egeltje dat hij voorzichtig moet zijn.
Na de wandeling
met de honden kom ik terug op dezelfde plek, maar egel
is weg.
We zijn
bijna thuis, maar in de bocht naar ons laantje zie ik tot
mijn verbazing het egeltje weer.
Hij
zit lekker en zelfs hoorbaar te smikkelen aan een waterijsje
dat vermoedelijk net door een schoolkind is weggegooid.
Het
diertje kijkt me vriendelijk aan en zet dan zijn smulpartijtje
voort.
Ik zeg:’ Je
bent erg lollig, maar wel veel te vrij - raar ding - hoe
komt dat nou? Je moet voorzichtig zijn, hoor! ‘
Op hoge
pootjes draait hij zich nog eens om het ijsje heen en luid
smakkend laat hij merken wat een buitenkansje hem overkwam!
Ik voel
me uitermate vrolijk door deze ontmoeting en neem met moeite
afscheid van de
egel.
Op de laan
kom ik een stel mensen tegen, die ik dit tafereel niet
wil onthouden en ik zeg: ’Daar in de bocht bij de Mollaan
zit een egeltje een waterijsje te eten, gaat U maar even
kijken!’ De
mensen kijken mij meewarig aan en groeten me enigszins
afstandelijk.
Pas enkele
ogenblikken later besef ik hoe merkwaardig deze mededeling
moet klinken, die ik hen gaf. De bedoeling om mijn verworven
vrolijkheid door het egeltje ook met anderen te delen leek
mislukt…
Ik loop het
hek binnen, draai me om en kijk nog even de mensen na. Ze
bereiken juist de bocht en zien ongetwijfeld het snoep-egeltje
want zij staan heel lang voorovergebogen te kijken en
turen daarna de lege weg af…
Zij zien
mij niet, maar ik hen wel.
Ik voel me
toch blij dat ik niet de enige ben die zoiets bijzonders
beleeft op deze mooie ochtendwandeling.
|
| Pieter
de Zwaan
Zachtjes
tikte Pieter de Zwaan met zijn gehavende snavel tegen
de ramen van de Langweerder huisjes waar hij zich welkom
wist.
Daar haastte
men zich naar buiten om hem van brood te voorzien en hem
na te kijken als hij met grote zwanenpassen en met donzen
zwaaikont naar andere huisjes ging om ook daar de bewoners
te attenderen op zijn aanwezigheid.
Pieter was
een prachtige zwaan die op een goede dag bij boer Hepkema
was beland. Daar liep hij in de winter de stal rond bij
de koeien. Dat mocht van de boer en de koeien hadden
er ook geen bezwaar tegen.
Maar
op een nacht ging één van de koeien op Pieter’s snavel
staan. Er brak een stukje van zijn snavel af en het overige
deel was voorgoed gekreukeld.
Het was
erg zielig, maar Pieter liet zich hierdoor niet ontmoedigen.
In de koudste
periode van de winter was hij altijd in de stal te vinden,
maar in het voorjaar verscheen hij weer boven de Langweerder
Wielen om sierlijk neer te strijken op het water.
Dan was
het nog niet zeker waar hij de wal op zou gaan klauteren
en bij wie hij op de ramen ging tikken om brood op de tegels
te krijgen.
Pieter stond
ons toe om zijn lange hals te omvatten en te strelen.
Een bijzondere ervaring, het leek alsof hij iets kon
overbrengen van zijn vreugde van vliegen en het vredig
drijven op het meer. En van het contact met de mensen
en ja toch ook met de koeien.
Een nieuw
voorjaar wij keken al uit naar Pieter! Daar kwam hij
aan, scheerde over het water, maar... kwam deze keer
niet naar de huisjes.
Pieter was
verliefd...
Pieter’s vriendin,
een mooie kleine zwaan, zwom statig en trots naast haar
uitverkorene met de kreukelsnavel.
Hun geluk
met elkaar en met de vier grijze nakomelingen konden we alleen
vanuit de verte aanschouwen, want die zomer kwam Pieter niet
bij ons aan wal.
En in het
volgend voorjaar ook niet.
Pieter was
door een jager doodgeschoten...
|