Column door Anna Backer



ZOMAAR, EEN FOTOSERIE VAN EEN BABY-EGELTJE:


DE RODE KLUIF

Een bedroefde stem klinkt aan de telefoon: "Onze Rakker is vannacht overleden".
Rakker was het hondje van onze buren, hij was negen jaar en opeens erg ziek
geworden.

Een paar dagen later bel ik ze of zij weer een hond zouden willen hebben.
Ze zijn namelijk allebei al aardig 'op leeftijd'.
Van harte klinkt er: 'Já, we kunnen helemaal niet zonder hond en Dirk moet z'n
loopje houden!'

Wij gaan aan de slag, zoeken op internet, bezoeken asiels en na veel omzwervin-
gen - die ruim een week in beslag nemen - vinden we Sydney, een kruising Stabij/
Wetterhoun. Een vrolijke krullenbol die al vijf maanden in IJmuiden in het asiel zit.
Hij is ook negen jaar, net als Rakker, maar dan kerngezond en levendig.

Op het moment dat buurvrouw Ciel wil afrekenen aan de balie, ontdekt de asiel-
medewerkster dat Sydney niet is ingeënt, dus hij mag nog niet mee naar huis.
Ciel gaat breeduit staan en zegt kordaat:'Ik ga hier niet weg zonder hond".
Na veel wikken en wegen wordt er besloten dat wij in Beverwijk langs de
dierenarts kunnen gaan voor de prik.

Hoera, de buit is binnen en in gutsende regen vertrekken we met Sydney.
Hij springt onze hondenbench in alsof het de gewoonste zaak van de wereld is,
draait zich om en kijkt geïnteresseerd door de tralies.
Ciel zit naast hem en vertelt hem alvast gezellige verhaaltjes.
Het regent nog aldoor pijpenstelen als we bij de dierenarts aankomen, gelukkig is
zij zo aardig om onder een grote paraplu bij de auto Sydney de injectie toe te dienen.
Klaar! Nu is Sydney helemaal van Dirk en Ciel.

Op het moment dat we de Teugelaan oprijden begint Sydney te piepen,
net als onze honden als ze bijna thuis zijn... Hoe weet hij dit nou?
De ontmoeting met Dirk, zijn nieuwe baas, verloopt stormachtig.
Alles lijkt wel één groot feest!
Het lijkt niet alleen zo, het is liefde op het eerste gezicht en... van beide kanten.
Sydney is dol op zijn beide nieuwe baasjes en zij op hem: "Oooh, hij is zo'n lieve schat! ".
Hij gaat meteen de eerste nacht naar boven en kiest voor een plaatsje onder hun bed.
Zo kan hij ze goed in de gaten houden.

Intussen zijn we een paar weken verder. Ciel heeft een kluif gekocht van rood plastic,
maar die keurt Sydney met geen blik waardig. Die kluif is, behalve rood van kleur,
voorzien van een piepje. Niks aan te doen, Sydney wil die kluif, zelfs op vriendelijk
verzoek of spelenderwijs, echt niet in zijn bek nemen.

Maar dan, op een mooie dag, gaat Ciel met haar scootmobiel rondtoeren, helemaal
naar Groet en in de duinen bij Schoorl. Na uren komt zij thuis en Sydney is helemaal
door het dolle.
Hij had Ciel overal gezocht: in bed, in de tuin en in de schuur. Hij danst, draait rondjes
om z'n as, springt in de lucht van blijdschap, Ciel is weer thuis!

Opeens rent hij naar binnen en Dirk en Ciel kijken hem verbaasd na... het blijft even stil
en dan zien zij Sydney weer naar buiten komen met in z'n bek de rode kluif. Die gooit hij
hoog in de lucht, pakt hem weer op en danst en draait in het rond met de kluif tussen
z'n tanden geklemd.
Het lijkt op een compleet circusnummer.
Bij Dirk en Ciel rollen de tranen over hun wangen van het lachen.
En later ook van ontroering, want Sydney smijt de kluif bij Ciel op schoot.

Ciel zegt met een verzaligde zucht:" Ja, nu weet ik het helemaal zeker, hij is ónze hond!"


ZOMERGAST

Hij pest me, hij treitert.
Ik vind het erg dat hij op de hoogte is van mijn voornemen.
Ja, hij weet het, ik zal niet slaan.
Geen wonder dat hij alles durft, alles probeert en
overal is waar je hem niet hebben wilt.
De hele zomer is hij hier al. Al een paar keer heb ik geprobeerd om hem tot andere gedachten te brengen: “Eruit jij - wèg – wèg !” Rotkreng, nu is het af en uit met jou!
Maar nee hoor, het lukt me niet en het gedram en gejudas begint opnieuw.
Zo hinderlijk wordt zijn gedrag, dat ik mijn voornemen niet langer gestand wil doen.
Ik doe het, ik ga slaan! Wàt... slaan? Nee ik ga meppen en niet zo zuinig.
Ik sta klaar voor het beslissende moment.
En dan opeens doet hij het weer, vlakbij op tafel en in de late avondzon, vouwt hij zijn voorpootjes samen, strijkt ze over elkaar, buigt zijn rode hoofdje en haalt er vliegensvlug de pootjes over. Dit herhaalt hij keer op keer.
Vervolgens maakt hij dezelfde bewegingen met zijn achterpootjes en wast in een vloeiende vaart zijn vleugels.
Rotvlieg.
Ik kan het niet, ik sla dit mooie wezentje niet dood.


BEUKENNOOTJE

Onze Treddy, de liefste aller honden, lag zo - op het oog - zieltogend op de deurmat en badend in het bloed. We schrokken vreselijk en we probeerden haar overeind te krijgen. Daar was geen sprake van, het was nagenoeg afgelopen en uit, vond zij.

Een wondje aan haar linker achterpoot was er de oorzaak van dat het leek alsof we een koe hadden geslacht. Na het verbinden kregen we haar zover dat ze weer kon geloven in de voortgang van haar leven. Treddy liep alsof er niets was gebeurd.

Eigenlijk heette ze Tragic, maar het leek ons niet goed om deze naam te handhaven, omdat tijdens de boswandeling een beukennootje tussen haar lange tenen voor haar al voldoende was om verder lopen te staken. Ze keek nooit wat er aan de hand was. Met hulpeloze blik en een opgetrokken poot gaf zij aan dat er onmiddellijk hulp nodig was.

Ook haar loopsheid was een onderdeel van haar leven waar ze zich niet mee wilde bemoeien, gelukkig wilde Kyra, ons Hollands herdertje, deze taak van haar overnemen.

Wij kregen haar toen ze 3 jaar oud was, omdat haar baas naar Frankrijk emigreerde. Een jaar later kondigde de eerste epileptische aanval zich aan bij haar. Gebeurde dit in de nacht dan werden we gewekt door Kyra met razend geblaf. Urenlang waren we in touw met haar, want na de aanval bleef ze lange tijd in een hyperactief stadium.

Treddy was een deerhound met ogen waarin je de diepte van haar ziel kon waarnemen.

Een indrukwekkend wezen waar we intens van hebben genoten.


RIJKDOM...

Bij de kruising Omloop Mollaan loopt een oude vrouw met haar fiets aan de hand. In de andere hand heeft ze – stevig aan een riem - haar hond.
Saar en Karel, onze korthaarcollies, willen met hem spelen.
Dat mag, ze knipt de gesp van de hondenriem los en daar rennen de drie honden het land in bij de buurvrouw op de hoek.
Verrukt kijkt de vrouw vanonder haar grijze krullenbol naar het vrolijke stel en ze zegt: “Wat een rijkdom, zo mooi als het hier is en dat we zulke leuke honden hebben en zo kunnen genieten...
Ja, ik moet binnenkort een nieuw knietje hebben, het kan eigenlijk zo niet langer, maar... we moeten niet zeuren.
Ach, het is zo heerlijk hier!”
Zij roept haar hond weer naar zich toe, doet hem aan de riem en stapt op haar fiets.
Intussen poept Saartje al schuifelend in de berm bij de buurvrouw, daarbij laat ze overal wat vallen. Ik raap het op met het plastic zakje dat ik bij me heb. Een onhandig gedoe omdat alles verspreid ligt.
Ik hoor een stem achter me: “ Probeert U het eens hiermee.” Een man van de gemeente buitendienst, die juist een schone zak in een afvalemmer heeft gedaan, reikt mij een pakje hondenpoepzakjes aan.
Vervolgens pakt hij het volle plastic zakje uit mijn hand met de mededeling dat hij dat wel in de emmer zal gooien...
Ik bedank hem voor al die vriendelijkheid en hij zegt:’Nou - waarom?”
Het is Oktober, we lopen over de platgereden kastanjes, het ruikt kruidig en er schijnt een flauw zonnetje. Het is voelbaar, dit is rijkdom!


SPINPOES

Het is pikkedonker, ik lig in bed en ik hoef niet hard te gaan zingen.
Helemaal niet, want Poes is stiekem de slaapkamer binnengeglipt.
We zijn allebei heel stil.
Niet echt stil, Poes spint en dat is mooier dan zingen.
Zij ligt op mijn borst en het spinnen dreunt donker door mijn ribben.
Ik kriebel haar achter het oortje en dan hoor ik nog een extra geluidje,
iets hoger aan het eind van haar ademhaling, of aan het eind van de uitademing, dat weet ik niet precies.
Het spinnen wordt zachter, ik voel het resoneren in mijn borst niet meer.
Het spinnen houdt op.
Poes slaapt!
Het lijkt net of Poes is vertrokken.
Ik schud haar zachtjes wakker en gelijk is er het spinnen weer.
Op volle kracht.
Zelfs het hoge uithaaltje doet ze erbij!
Achter mijn ribben is er een vrolijk gevoel, het lijkt wel of ik zelf kan spinnen.
Brrrrrrrm.... Brrrrrrrm....

Ik voel het geluid niet alleen, ik hoor het overal en het zwelt aan tot een geweldig gedreun.
Poes en ik, wij samen, wij vliegen weg!
Wij liggen op roodfluwelen kussens en we kunnen uit een rond raampje kijken.
Buiten is het nog donker.
De stad is al ver achter ons, we vliegen boven weilanden, waar schimmige figuren staan te dromen. Het zijn koeien en paarden, ze slapen.
Eigenlijk slapen wij ook nog. Wij hoeven niks. Zelfs het spinnen is overgenomen door het poezenvliegtuig.
Het bromt en dreunt door onze lijven heen.
Ik had altijd al gedacht, dat het heerlijk was om een Poes te zijn.
Maar een Poes op reis in een echt poezenvliegtuig, daar zou ik niet eens van gedroomd hebben.

Ik probeer met mijn staart te zwaaien, het gaat niet, daar word ik nijdig van.
Nu word ik goed wakker en wat zie ik?
Poes houdt mijn staart vast met haar tandjes.
Om me te plagen; om mij wakker te maken!
Ik vind het niet erg, integendeel, alleen mijn staart is boos.
Die zwaait en zwiept nog even heen en weer.
Poes lacht en ik ook.
Het vliegtuigje bromt en ronkt nog steeds.
Wij zijn op reis en zelfs op een heel verre reis.

Andere katten hangen landerig in hun mooie, rode fluwelen kussenmandjes.
Ik denk dat zij al erg vaak op reis zijn geweest en daardoor niet meer zo opgewonden zijn als wij.
De poezenstewardess miauwt door de intercom, dat het bijna tijd is om te landen.
'Jemig', zegt Poes, 'Waar zullen we terecht komen?
Heb jij ook zo'n honger?' vraagt ze.
Er worden namelijk geen maaltijden geserveerd in het poezenvliegtuig.
Dat kan niet, omdat de stewardessen op vier pootjes lopen.

Ja, ik heb reuze trek, maar ik weet eigenlijk niet in wat.
Ik denk aan een muis en zelfs aan een vogeltje.
Ik kan er niet lang over nadenken, want het vliegtuig zakt zo snel omlaag, dat mijn oren dichtklappen en ik zie dat Poes scheel kijkt van schrik.
De landing gaat voortreffelijk en via een soort glijbaan komen we op een weiland terecht.

De zon schijnt, het is lekker warm en wij rennen een eind, gewoon voor ons plezier.
Ik zie een grote boom en voor het eerst in mijn leven kan ik daar zo in klimmen.
Mijn nagels zorgen ervoor, dat ik me goed kan vastgrijpen in het hout.
Hoger en hoger klim ik in de boom, ik kijk om naar Poes.
Zij staat nog in het gras.
Ze vindt het verstandiger om eerst eens naar een lekker hapje uit te kijken. 'Kom op' roept ze, 'Ga nou mee!'

Maar ik durf niet. Ik durf niet meer terug. Oh, ik zit veel te hoog in de boom. Hoe moet dat nu? Poes roept, dat ik niet met m'n kop naar beneden moet gaan.
Weer hang ik aan mijn scherpe nagels en beetje voor beetje zak ik omlaag, totdat ik weer naast Poes sta!
Poes vindt, dat ik geen ondoordachte dingen moet doen en eerst maar eens moet gaan wennen aan het lopen op vier poezenpootjes. Ik begrijp het en we wandelen nu rustig verder, tot we bij een boerderij komen.

Sluipend komen we de stal binnen, waar een heleboel witte geiten ons nieuwsgierig aankijken. Een oude schonkige geit zegt dat we niet hoeven te sluipen, we zijn juist van harte welkom. Zij wijst ons waar de emmers staan met hun heerlijke geitenmelk en als we ons keurig aan één emmertje tegoed doen, dan is er niets aan de hand.
Het is verrukkelijk, we drinken onze buikjes helemaal rond en we bedanken de lieve geiten.
'Kom vanavond gerust weer terug.' zegt de oude geit vriendelijk,´Jullie kunnen op de hooizolder gaan slapen, als je wilt.´

We lopen niet zo veel meer. Eenmaal in hoog gras aangekomen, worden we zo slaperig, dat we onze oogjes steeds dichtknijpen en Poes is niet de enige, die spint. Ik hoor een prachtig diep geronk, mooier dan zingen. Het is spinnen en dat doe ik zelf…


Mond- en klauwzeer

Angst om het verlies van haar dieren - geiten, schapen en paarden - greep haar zo bij de keel, dat ze de meest onmogelijke dingen ging bedenken om de dieren te behoeden voor een dreigende ruiming.
Het gevaar kwam dichtbij, nu in Friesland een geval van MKZ was geconstateerd.


Boggy
De vrouw woonde net over de grens in Groningen, op een kleine boerderij.
 
Ja – ga maar – gaan jullie maar, lieve schatten, jullie hebben de vrijheid …
De wereld is ook van jullie …
Het hek van de schapenwei wordt open gegooid.
De kudde Engelse schapen dringt om voorrang en meteen weerklinkt een zoet geroffel van al die hoefjes op het landweggetje.

Daarna zwaait het hek open bij de angorageiten en de verbaasde krullenkoppen met brede pupillen-ogen ontvangen dezelfde boodschap; zij mogen gaan waarheen ze maar willen.
Zij krijgen de vrijheid, want de wereld is van hen.
Aansporen is niet eens nodig, het is immers veel te leuk.
Alle geiten lopen de wei uit en hollen weg, terwijl sommigen nog even stoppen om hier en daar wat blaadjes af te rukken van de struiken, die net jong blad hebben.  


Zinzi
Dan gaat er nog een hek los, dat van de wei van het paard met haar veulen.
Ook zij horen haar stem: ‘ Ga maar – ga maar, poppies – jullie hebben de vrijheid, dat is nou wat de bedoeling is, jullie zijn vrij – ga maar …

De merrie is nog onwennig, ze kijkt om naar haar veulen, maar dat galoppeert haar opeens voorbij en dan draaft de merrie weg achter haar veulen aan.

De vrouw keek ze na, ze was erg moe.

Vorig jaar werd een dood veulen geboren, dat mocht niet nog eens gebeuren.
Daarom bracht zij de laatste weken dag en nacht door in de stal bij haar drachtige merrie. ‘s Nachts trok ze wel haar pyama aan, maar ook dat maakte het niet gemakkelijker in slaap te komen.

Na de voorspoedige bevalling van het veulentje en teruggekeerd naar haar man en haar gewone bed, kreeg zij een wonderlijke droom:

Haar pasgeboren kleinzoon blijkt Jezus te zijn, bezield met intense liefde voor mens en dier. Dit kind verkondigt aan de mensheid dat nu de tijd rijp is voor vrijheid voor alle dieren. Alle hekken en afrasteringen moeten verwijderd worden.

Een mooie droom, maar de gevolgen ervan waren ernstig.
Niet alleen de dieren werden gevangen, maar ook de vrouw.
Haar nieuwe verblijf was ver weg, en had vier kale, vreemde muren.


Zomeravond

Laat in de zomeravond loop ik nog even met de honden op de Mollaan.
Het is al donker en ik hoor gesnuif dat niet afkomstig is van één van mijn metgezellen. Het blijkt van een fors uitgevallen retriever te zijn.
De ontmoeting met Treddy en Kyra valt in goede aarde.
Soms pakt dat wel eens anders uit, dan heb ik mijn handen vol aan de twee blafbeesten, die mij haast van de sokken trekken.
De retriever hoort bij een lange man, die goedkeurend mompelt: ‘Braaf! Brave hondjes! Braaf!’
We passeren elkaar en ik laat Treddy - onze oude deerhound - los lopen anders wil ze niet plassen. Daar heb ik meteen spijt van want ze gaat haar behoefte doen en wel midden op de ingang van de camping.
Ik breek een tak uit de struiken en zwiep de drollen de greppel in.
Net op tijd, want daar komt de man met de blonde reus alweer terug.

Blij roept hij uit:’ Zo ontmoet je nog eens mensen door de honden!’ 
Onder de slagschaduw van de lantaren blijft hij staan, ik kan zijn gezicht niet zien. Het moment is aangebroken, dat in het warme duister van de zomeravond verhalen verteld dienen te worden. Dat hoort zo op het laantje van Mol.
De man met het schaduwgezicht zegt, dat zijn vorige hond overleden is.
Midden in de vakantie.
De dierenarts kon hem niet meer redden en had gevraagd of de dode hond achter zou blijven. Nou, absoluut niet, dat kan een gek nog wel begrijpen.
Moet je je voorstellen, als wij die hond meehadden in de vakantie, sliep ik in de auto met de hond en mijn vrouw in een hotel. Ja, daar mochten geen honden naar binnen. Maar goed, de hond werd gecremeerd. De ontvangst in het dierencrematorium was zo allervriendelijkst, toen we nog afscheid kwamen nemen van de hond. Hij lag heel mooi verzorgd in een mand… en nu hebben we zijn as in zo’n prachtig urntje.

Zijn handen rezen omhoog onder het licht van de lantaren en ik keek mee naar het urntje, hoe klein het eigenlijk was voor zo’n grote hond. En ik begreep hoe mooi het op de schoorsteen stond in Roelofarendsveen, naast de foto.
En nu hadden de kinderen hem een nieuwe hond gegeven, want dan leef je langer dachten zij.
‘ Waarom moet dat dan?’ had hij gevraagd.
‘ Nou, voor je kleinkinderen!’
‘ Ach en ze zeggen, het is ook goed voor de stress…dus ach ja..’

Brave hondjes, braaf! Ja, dat zijn ze zeker.
De braveriken wachten maar tot die ene baas klaar is met zijn verhaal.
Kyra met spitsoren, Treddy lijdzaam en de retriever doet, wat bij hem hoort –
Kwispel – kwispel – kwispel…


Bij de bibliotheek in Bergen

Wit wachtend hondje
Aan paaltje gebonden
Pakt zachtjes mijn
Hand tussen zijn
Hagelwitte tandjes

Ik had hem eerst
Gevraagd of ik dag
Mocht zeggen
Het mocht

Wit hondje gaf
Plezier mee voor
Minstens drie dagen


Scheldpartij

Kyra, onze Hollandse herder, heeft een bloedhekel aan reigers. Het levert haar veel stress op wanneer we haar niet loslaten als zij een reiger in het land ziet staan. Ze wil het liefst dwars door sloot of vaart spurten om de reiger op te jagen om vervolgens nog een tijdlang blijk te geven van haar ongenoegen.

Sinds kort is er een reiger die heel kwaad is op Kyra. Deze reiger had uit een sloot een paling gevist. Triomfantelijk steeg hij op met de dikke spartelende paling in zijn snavel geklemd.

Ik kwam net aanlopen met Kyra. Haar razend geblaf verstoorde de ochtendrust op het laantje. De reiger liet zich niet onbetuigd, hij krijste terug en dit nu was niet zo verstandig van hem, want hij verloor hierbij de paling...

De zielsgelukkige paling viel terug in de sloot, maar de scheldpartij tussen de reiger en Kyra kende z’n weerga niet.


Waterijsje

Het is nog vroeg in de ochtend, wanneer ik onze honden uitlaat. Niet ver hiervandaan op de Mollaan kom ik een man tegen, die mij attent maakt op een egeltje dat een eindje verder in de berm zou vertoeven.

Ja, ik zie de kleine egel, die zich niet oprolt terwijl wij passeren. Een paar kleine schitteroogjes kijken me aan en ik waarschuw het egeltje dat hij voorzichtig moet zijn.

Na de wandeling met de honden kom ik terug op dezelfde plek, maar egel is weg.
We zijn bijna thuis, maar in de bocht naar ons laantje zie ik tot mijn verbazing het egeltje weer.
Hij zit lekker en zelfs hoorbaar te smikkelen aan een waterijsje dat vermoedelijk net door een schoolkind is weggegooid.
Het diertje kijkt me vriendelijk aan en zet dan zijn smulpartijtje voort.
Ik zeg:’ Je bent erg lollig, maar wel veel te vrij - raar ding - hoe komt dat nou? Je moet voorzichtig zijn, hoor! ‘
Op hoge pootjes draait hij zich nog eens om het ijsje heen en luid smakkend laat hij merken wat een buitenkansje hem overkwam!
Ik voel me uitermate vrolijk door deze ontmoeting en neem met moeite afscheid van de egel.

Op de laan kom ik een stel mensen tegen, die ik dit tafereel niet wil onthouden en ik zeg: ’Daar in de bocht bij de Mollaan zit een egeltje een waterijsje te eten, gaat U maar even kijken!’ De mensen kijken mij meewarig aan en groeten me enigszins afstandelijk.
Pas enkele ogenblikken later besef ik hoe merkwaardig deze mededeling moet klinken, die ik hen gaf. De bedoeling om mijn verworven vrolijkheid door het egeltje ook met anderen te delen leek mislukt…

Ik loop het hek binnen, draai me om en kijk nog even de mensen na. Ze bereiken juist de bocht en zien ongetwijfeld het snoep-egeltje want zij staan heel lang voorovergebogen te kijken en turen daarna de lege weg af…
Zij zien mij niet, maar ik hen wel.

Ik voel me toch blij dat ik niet de enige ben die zoiets bijzonders beleeft op deze mooie ochtendwandeling.


Pieter de Zwaan

Zachtjes tikte Pieter de Zwaan met zijn gehavende snavel tegen de ramen van de Langweerder huisjes waar hij zich welkom wist.
Daar haastte men zich naar buiten om hem van brood te voorzien en hem na te kijken als hij met grote zwanenpassen en met donzen zwaaikont naar andere huisjes ging om ook daar de bewoners te attenderen op zijn aanwezigheid.

Pieter was een prachtige zwaan die op een goede dag bij boer Hepkema was beland. Daar liep hij in de winter de stal rond bij de koeien. Dat mocht van de boer en de koeien hadden er ook geen bezwaar tegen.
Maar op een nacht ging één van de koeien op Pieter’s snavel staan. Er brak een stukje van zijn snavel af en het overige deel was voorgoed gekreukeld.
Het was erg zielig, maar Pieter liet zich hierdoor niet ontmoedigen.

In de koudste periode van de winter was hij altijd in de stal te vinden, maar in het voorjaar verscheen hij weer boven de Langweerder Wielen om sierlijk neer te strijken op het water.
Dan was het nog niet zeker waar hij de wal op zou gaan klauteren en bij wie hij op de ramen ging tikken om brood op de tegels te krijgen.

Pieter stond ons toe om zijn lange hals te omvatten en te strelen. Een bijzondere ervaring, het leek alsof hij iets kon overbrengen van zijn vreugde van vliegen en het vredig drijven op het meer. En van het contact met de mensen en ja ­ toch ook met de koeien.

Een nieuw voorjaar ­ wij keken al uit naar Pieter! Daar kwam hij aan, scheerde over het water, maar... kwam deze keer niet naar de huisjes.

Pieter was verliefd...

Pieter’s vriendin, een mooie kleine zwaan, zwom statig en trots naast haar uitverkorene met de kreukelsnavel.
Hun geluk met elkaar en met de vier grijze nakomelingen konden we alleen vanuit de verte aanschouwen, want die zomer kwam Pieter niet bij ons aan wal.

En in het volgend voorjaar ook niet.

Pieter was door een jager doodgeschoten...